Waar gaat het om in de jeugdzorg? En wat gaat er om in de jeugdzorg.
In dit weblog probeer ik regelmatig te schrijven over mijn werk als directeur-bestuurder van een organisatie in de jeugdzorg.
Ik wil vertellen over waar ik mee bezig ben in mijn functie. Proberen praktijk en beleid te verbinden.
Mijn motto is: ‘bouwen aan een betere en vernieuwende jeugdzorg’.
Er viel de afgelopen jaren maar weinig positiefs te melden over de Wet op de Jeugdzorg, die 1 januari 2005 in werking trad en waarover nu bijna iedereen (hulpverleners, ouders, ambtenaren en politici) zoveel kritiek heeft. Lange wachtlijsten, taaie bureaucratie en regelgeving, dode kinderen, klagende ouders, angst onder hulpverleners om fouten te maken, niemand tevreden. Dat blijkt allemaal uit het rapport waarin de Wet op de jeugdzorg wordt geëvalueerd.
Ik had hooggespannen verwachtingen van die nieuwe Wet. Voor het eerst werd recht hadden op jeugdzorg van jeugdigen vastgelegd. In de Wet werd uitgegaan van de behoeften van de cliënten en niet, zoals onder de oude wet, het aanbod van instellingen. De cliënt stond centraal en het zou allemaal anders en beter worden. Vijf jaar later meldt de verantwoordelijk minister Rouvoet dat deze verwachtingen niet zijn uitgekomen. In een toespraak voor de Vrije Universiteit in Amsterdam stelde hij duidelijk dat het niet goed gaat in de jeugdzorg. Door het ontbreken van voldoende breed aanbod, de lange wachttijden en te weinig steun voor ouders, is de jeugdzorg onvoldoende effectief. Preventie en vroeghulp waren de afgelopen jaren ’nagenoeg afwezig’, het aantal cliënten is fors gegroeid. Jeugdigen met ernstige problematiek worden ’dol gedraaid’ in het systeem. Rouvoet constateert ook een merkwaardige paradox. Kinderen met lichte opvoed- en psychiatrische problemen komen te snel in specialistische voorzieningen. Kinderen met zware en complexe problemen worden niet bereikt. Die uitspraak vind ik overigens belachelijk. Kinderen met lichte problematiek zitten echt niet binnen de organisatie waar ik werk. Het is eerder andersom, dat we in de provinciaal gefinancierd jeugdzorg veel te veel ingewikkelde problematiek zien waar we niet voor geoutilleerd zijn. Rouvoet weerde tot voor kort elke discussie over een stelselherziening af, omdat een reorganisatie de sector voor jaren kan verlammen en daar zijn de jongeren weer de dupe van. Maar nu vindt de minister “dat alles ter discussie mag worden gesteld’’, dus ook het stelsel zelf. Toch wel merkwaardig dat je drieënhalf jaar nodig hebt om tot deze conclusie te komen. Terwijl wij dat in het werkveld al die tijd aan de orde hebben gesteld.